De Oehoe, geen last van een stijve nek.

Genoemd naar het geluid dat gemaakt wordt. Het mannetje roept vooral aan het eind van de winter, van zonsondergang tot enkele uren later, een verdragend boe hoew. Soms tot op 5 km te horen.

Bij uilen zitten de ooropeningen links en rechts niet op dezelfde hoogte. Ook de vorm van de ooropening en van het oordeksel kan links en rechts verschillen. De functie van deze asymmetrie is een betere bepaling van de richting waar geluiden vandaan komen. De ogen van de Oehoe zijn heel lichtgevoelig. Daarom kunnen ze ’s nachts goed zien. Maar ook overdag hebben ze geen moeite een prooi te ontdekken.
Omdat de ogen van een uil erg groot zijn heeft de uil geen ruimte over in zijn schedel voor spieren die de ogen moeten laten bewegen. Een uil kan zijn ogen dus niet naar links en rechts draaien. Daarom zijn de ogen altijd recht naar voren gericht. Om andere kanten op te kijken gebruikt een uil de 14 wervels in zijn nek. Door die wervels kan hij zijn kop ronddraaien of ondersteboven keren. De uil kan zijn kop in totaal 270° draaien.
In de jaren 70 was de soort zeer zeldzaam. In Nordrein Westfalen werd in die jaren met een herintroductieprogramma gestart. Sinds 1995 broedt de Oehoe weer in Nederland. Het eerste broedgeval was in de ENCI groeve in Limburg. Ook in Asten is een broedgeval vastgesteld. Het is het 7e broedpaar. Ze hebben in 2014 drie jongen gehad.
Het ♂ heeft een bandje om de poot. Duidelijk is dat het gaat om een ontsnapt exemplaar.  Het ♀ is wild. Het is ook niet geringd. Mogelijk komt het ♀ uit Duitsland. Andere plaatsen in Nederland waar de Oehoe voorkomt zijn Limburg en de Achterhoek.

Overige berichten